Mira Zeehandelaar
dinsdag 30 oktober 2012 / Ode Magazine / Khaled Desouki / achtergrond democratie revolutie

Artikelen

'Het woord is aan ons'

Volgens de Venezolaanse president Hugo Chavez is hij een gevaar voor de nationale veiligheid. De regering van Myanmar (Birma) beticht hem ervan dat hij het regime omver wilde werpen, als aanstichter van de protesten in 2007 onder leiding van duizenden Boeddhistische monniken. In Rusland zijn de twee boekwinkels die zijn werk verkochten om onverklaarbare redenen tot de grond toe afgebrand. Wie veroorzaakt er zo veel woede en afgrijzen bij onderdrukkende regimes?

 

Een rustige en bescheiden professor van 84 jaar, die met een wandelstok loopt en orchideeën verzorgt in zijn tuin in Boston – althans, als hij geen geweldloze revoluties aan het inspireren is. Gene Sharp, hoogleraar politicologie aan de universiteit van Massachusetts in Dartmouth, heeft zijn hele leven gewijd aan het bestuderen van geweldloos verzet. Waarom? Omdat dit de meest effectieve manier is om corrupte, onderdrukkende regimes omver te werpen.

 

 

De laatste paar jaar waren populair voor de vreedzame revolutie: onder meer geïnspireerd door de Arabische Lente kwamen ook in het Westen mensen in op- stand. De Occupy-beweging bezette pleinen van Amsterdam tot New York en van London tot Vancouver, tégen de almacht van financiële instellingen, vóór sociale gelijkheid. In Rusland gaan sinds eind vorig jaar geregeld tienduizenden mensen de straat op uit onvrede over de president Vladimir Poetin en eisen eerlijke verkiezingen. De Grieken demonstreerden al enkele malen massaal tegen de slechte economische omstandigheden in hun land. Na aanvankelijk vreedzame protes- ten ontstond hier en daar later geweld.

 

Wat kunnen wij van Sharp leren over hoe je een sterke democratie wilt bouwen? En als een vreedzame revolutie vervolgens slaagt, wat dan?

 

Sharp was meer dan dertig jaar verbonden aan Harvard als onderzoeker. In 1983 richtte hij de Albert Einstein Institution op, waarmee hij onderzoek doet naar geweldloos verzet. hetwoordisaanonsBZijn bekendste werk, From dictatorship to democracy, is door activisten in meer dan dertig talen vertaald. Het wordt landen met onderdrukkende regimes binnengesmokkeld, gedownload, gekopieerd en doorgegeven. Bekende revolutionairen – van Rusland tot Myanmar, van Zimbabwe tot de Filippijnen en recenter in Tunesië en Egypte – verklaren beïnvloed te zijn door zijn ideeën. Ook de Moslimbroederschap, wier kandidaat Mohamed Morsi de recente Egyptische verkiezingen won, zette de Arabische versie van Sharps boek al voor de Arabische Lente op haar website als verplichte kost. Het is de enige tekst van een niet-Egyptenaar en niet-moslim op de website.

 

Het werk van Sharp beïnvloedde een van ’s werelds bekendste geweldloze protesten, namelijk die van Otpor! (‘Verzet’) in Servië in 1999, de studentenbeweging die het opnam tegen het bewind van Slobodan Milošević. De groep had voor het protest al veel aanhang onder studenten. Die aanhang groeide gestaag, onder meer door het sterke symbool, de zwarte gebalde vuist en de slogan gotov je, ‘hij is er geweest’. En niet te vergeten met humoristische filmpjes over een wasmiddel dat eindelijk de ‘vlek’ Milošević uit je shirts krijgt.

 

Sharp heeft het grootste gedeelte van zijn leven in relatieve onbekendheid geleefd; nu kloppen revolutionairen ge-regeld bij hem aan voor adviezen over hoe ze hun strijd voor verandering moeten aanpakken. Sharp blijft bescheiden. Jij kent de situatie in jouw eigen land het best, antwoordt hij dan meestal. ‘Je kunt ze geen perfect advies geven, maar wel een soort gids’, zegt hij haast verontschuldigend. ‘Natuurlijk hoop ik dat mensen er iets van opsteken. Maar ik ben geen missionaris.’

 

Zijn gids bevat 198 methoden voor geweldloos verzet

 

Het moment in februari 2011 toen honderdduizenden op het Tahrirplein neerknielden om gezamenlijk te gaan bidden? Methode 167, de pray-in. De groene vlaggen waarmee Iranese demonstranten in 2009 door de straten van Teheran liepen? Methode 18, de vertoning van symbolische vlaggen en kleuren. De Oranjerevolutie in Oekraïne in 2004, waarbij vrouwen en bejaarden vooraan stonden bij de demonstraties om bloemen uit te delen aan de militairen? Methode 21, het schenken van symbolische objecten.

 

In de jaren veertig raakte Sharp geïnteresseerd in geweldloos verzet. De wereld was één grote puinhoop. Het naziregime, de Tweede Wereldoorlog, het gebruik van atoombommen. Sharp raakte er in die tijd steeds meer van overtuigd dat er een einde aan oorlog en onderdruk- king moest komen. Het geweldloze verzet van Mahatma Gandhi was daarbij zijn grote inspirator.

 

Toen hij in de bibliotheek van de universiteit wekenlang krantenknipsels over Gandhi in de jaren dertig in India bestudeerde, beleefde Sharp een eurekamoment. ‘Ik had altijd het idee dat geweldloos verzet verbonden was aan een soort ethisch of religieus geloof in het principe’, blikt Sharp terug. ‘Maar ik realiseerde me ineens dat ook Gandhi om pragmatische redenen geweldloos optrad: het had gewoonweg meer effect. Dat gaf me hoop, hoop dat burgers zich kunnen verzetten tegen al het geweld in de wereld.’

 

Sindsdien heeft Sharp zijn academische carrière gewijd aan geweldloos verzet: voornamelijk door te onderzoeken en te schrijven. Maar hij heeft ook actie gezien. In 1953 belandde hij negen maanden in de cel omdat hij weigerde mee te vechten met het Amerikaanse leger in de Koreaanse oorlog. In 1989 reisde hij af naar China om de demonstraties op het Plein van de Hemelse Vrede mee te maken. Een jaar later werd hij een rebellenkamp in Myanmar binnengesmokkeld om vreedzame methoden van verzet te bespreken.

 

De kern van Sharps theorie is simpel: de macht van iedere dictator is afhankelijk van de steun van het volk. Als het volk besluit de dictator niet meer te gehoorzamen, brokkelt het regime langzaam af. ‘Als je niet langer hout op het vuur gooit, gaat het uit’, zegt Sharp. ‘Als je een plant geen water meer geeft, stopt hij met groeien.’ Wie daarentegen probeert een dictator met geweld te verdrijven, valt hem aan met zijn eigen sterkste wapen, betoogt de professor. ‘Geweldloos verzet vereist een heel goede planning’, zegt Sharp in een bedachtzame, bijna fluisterende stem. ‘En het is zeker niet zonder gevaren. Maar uiteindelijk is het volk sterker dan het denkt te zijn, juist zonder geweld.’

 

Sommigen revolutionairen slaagden er niet in de dictator geweldloos te verdrijven. Denk aan Syrië waar het geweld juist oplaaide, of Iran, waar het de demonstranten niet lukte tot een heuse revolutie te komen. Ook de wereldwijde Occupy-beweging behaalde haar samenraapsel van doelstellingen niet. In andere landen lukte het wel de onderdrukker te verjagen. Neem Oekraïne, waar de Oranjerevolutie leidde tot vrije verkiezingen. En Egypte natuurlijk, waar de betogingen vorig jaar een einde maakten aan het dertig jaar durende presidentschap van Hosni Moebarak.

 

Maar na die glorieuze revolutie die zowel andere landen in het Midden-Oosten inspireerden als Westerse activisten, is Egypte beland in een verwarrende toestand. Ja, Morsi is onlangs met een nipte meerderheid van stemmen democratisch gekozen tot president, maar hij wordt ‘vleugellam’ genoemd. Immers, Morsi opereert zonder parlement en zonder grondwet, terwijl een machtig leger de wetten bepaalt. De huidige situatie in Egypte roept de vraag op: wat doe je nadat een dictator is weggestuurd?

 

Jack Snyder, hoogleraar internationale betrekkingen aan de Columbia University in New York, heeft veel onderzoek gedaan naar de overgang naar democratie. In zijn boeken, waaronder From voting to violence en Why emerging democracies go to war, onderzoekt hij de naïeve ver- onderstellingen van veel westerlingen, dat democratie per definitie goed is en zorgt voor meer vrede en vrijheid.

 

Democratisering an sich is namelijk helemaal geen fundament voor vrede en vrijheid, zegt Snyder. Sterker nog, de weg ernaartoe kan leiden tot geweld. Oude machtpilaren en structuren worden dan losgelaten, waardoor er ruimte ontstaat voor andere goed georganiseerde groepen om de macht te grijpen. ‘Het is een hobbelige weg’, vindt Snyder.

 

Hij komt net terug van een paar weken Caïro, waar hij Egyptenaren heeft geïnterviewd over de gang van zaken. Hij zegt veel gefrustreerde revolutionairen te hebben gesproken. ‘De verkiezingen waren veel revolutionairen een doorn in het oog’, analyseert Snyder. ‘Ze vonden de ene kandidaat nog slechter dan de ander.’

 

Maar waarom maakten diezelfde progressieve revolutionairen dan geen schijn van kans bij de verkiezingen? Het sleutelelement volgens Snyder: tijd. Tijd om je goed te organiseren. Volgens Snyder misten de mensen die de vlam van de revolutie aanwakkerden de capaciteit om na de demonstraties de dialoog aan te gaan. Ze bleven in hun comfort zone – pratend in theehuizen, demonstrerend op het Tahrirplein – terwijl ze volgens Snyder het land in hadden gemoeten om het gesprek aan te gaan met Egyptenaren. ‘Het is eigenlijk een beetje een valse start’, zegt Snyder. ‘De Moslimbroederschap en het oude regime waren al sterk geworteld in de samenleving en zijn goed georganiseerd. De progressieven zijn dat nog niet.’

 

Sharp erkent die uitdaging. Volgens hem maakt de Occupy-beweging eenzelfde fout. ‘Ze willen zowat de hele wereld- orde veranderen – en dat door gewoon ergens te gaan zitten?’, zegt Sharp. ‘Dat heeft geen kans van slagen. Veel mensen zijn boos en ontevreden, maar ze hebben geen duidelijk plan met hoe het anders moet. Een goed plan is essentieel.’

 

Dat zie je vaker in jonge democratieën, meent Snyder. Ironisch genoeg is het gemakkelijker om je te organiseren langs militaire, etnische en religieuze lijnen en via oude bureaucratische systemen. Gevestigde instituties, zoals het leger of een religieus geïnspireerde politieke partij, hebben daar dus profijt van. Liberale, democratische en progressieve groepen, die juist in de voorhoede van de verandering zitten, hebben het veel moeilijker. Ze hebben vaak minder eenheid. In Egypte hebben de progressieven voor de verkiezingen geen tijd gehad zich te organiseren en vormen, doordat Moebarak ze al die tijd met harde hand onderdrukte.

 

Tijd is een element dat een belangrijke rol speelt in veel van de democratiserende landen die Snyder onderzoekt. ‘Hoe sneller er verkiezingen worden georganiseerd, hoe groter de kans dat er geweld ontstaat’, aldus Snyder. ‘Dat hadden de Moslimbroederschap en militairen goed voorzien. Snel verkiezingen, voordat de progressieven zich sterk kunnen maken.’

 

Een andere sterke indicator van een succesvolle poging om een revolutie te laten uitgroeien tot een democratie is de welvaart in een land. Het blijkt dat welvaart gepaard gaat met opleiding en kennis van politiek. Tunesië is bijvoorbeeld rijker dan Egypte, maar Egypte is op zijn beurt rijker dan Burundi, waar ernstig etnisch geweld uitbrak tijdens de overgang naar democratie. ‘Wat dat betreft is het glas van Egypte halfvol’, zegt Snyder.

 

Maar ondanks de lage educatie en het hoge analfabetisme in Egypte, zou het de revolutionairen volgens Snyder wel moeten lukken de laagopgeleide, rurale bevolking voor zich te winnen. ‘Maar ze moeten wel eerst hún taal leren spreken’, waarschuwt hij. Zolang die dialoog er niet is, kiezen laagopgeleiden vaak voor wat ze al kennen (zoals de Moslimbroederschap in Egypte), of een macht die de orde handhaaft (zoals het oude regime van Moebarak). Een goede progressieve arbeiderspartij is volgens Snyder een goed alternatief voor de gevestigde orde. ‘Maar dan moeten ze in Egypte eerst de kans krijgen zich te manifesteren.’

 

Revoluties als in Tunesië en Egypte zijn zeker geen uitzondering; er zijn al veel meer dictators vreedzaam verdreven. Want hoe ingewikkeld de weg naar democratie ook moge zijn, revoluties zonder geweld hebben in ieder geval twee keer zoveel kans van slagen als revoluties met geweld. Dat blijkt onder meer uit een recent boek, Why civil resistance works van Erica Chenoweth en Maria J. Stephan.

 

Een belangrijke reden is dat er simpelweg meer mensen kunnen en willen meedoen als het verzet geweldloos is. Er ontstaat sneller loyaliteit, zowel onder het volk als internationaal. Doordat meer mensen aan het verzet deelnemen, is er meer draagvlak voor het verzet en hebben de opstanden meteen meer impact: het regime verliest zijn status quo. ‘Mensen doen waartoe ze ook zelf in staat zijn’, zegt Sharp. ‘Ze nemen zelf de touwtjes in handen. Dat geeft ze meteen meer zelfrespect.’

 

Sharp wijst erop dat er methoden zijn waarbij opstandelingen dingen moeten doen die ze normaal gesproken nooit zouden doen, zoals hongerstakingen of op straat gaan zitten. Ook mensen die minder extreme methoden willen uitvoeren kunnen meedoen, bijvoorbeeld door wel gewoon naar het werk te gaan, maar dit heel traag uit te voeren. En omdat de nieuwe leiders aan de macht komen zonder geweld, maar met een breder draagvlak, is er ‘een grotere kans, maar absoluut geen zekerheid van democratie’, zegt Sharp. ‘Een nieuwe macht die met geweld aan de macht is gekomen, zal ook eerder geneigd zijn die macht met geweld te behouden.’

 

Ook in Rusland groeit de groep burgers die vreedzaam protesteert tegen het onderdrukkende regime. Daar gaan sinds eind vorig jaar tienduizenden de straat op om te protesteren tegen het regime van Poetin. Internet speelt een grote rol bij de oppositie in Rusland, zoals dat ook het geval was in Egypte en Tunesië. In een land waar de vrijheid van meningsuiting ernstig onder druk staat, biedt internet uitkomst: bloggers schrijven kritisch over het regime, mensen met verschillende achtergronden discussiëren over de politiek en demonstraties worden aangekondigd via social media. Maar in Rusland gaat het nog een stapje verder. Daar vindt een soort onlinedemocratisering plaats. Er zijn websites waar online- verkiezingen worden gehouden en er is zelfs een ‘onlineburgemeester van Moskou’ verkozen.

 

Oleg Kashin, een Russische blogger en journalist, gelooft niet dat enkel de demonstraties Poetin gaan verdrijven. ‘We moeten verdergaan en diegenen met macht laten begrijpen dat er een goed democratisch alternatief is voor de macht van Poetin. Straatprotesten alleen gaan dat niet doen.’ Volgens hem hebben te veel Russen nog het idee dat Poetin een alleenheerser is die alle macht heeft. Dat is volgens Kashin niet waar. ‘Poetin leunt sterk op oligarchen’, meent hij. ‘We moeten hen laten zien dat er een goed alternatief is. We moeten hen aan onze kant krijgen.’ Het zijn bekende klanken uit het werk van Sharp.

 

‘Sharp heeft een grote invloed gehad op de oppositie in Rusland’, zegt Kashin. ‘Zijn boek is een soort klassieker. Zeven jaar geleden was Sharp hét idool van álle opstandelingen; vandaag de dag is het iets minder populair onder jonge revolutionairen, maar ik heb het zeker gelezen.’

 

Terwijl de Russen massaal de straat op gaan en de Egyptenaren een democratie proberen te vormen, werkt Sharp in zijn kantoor in Boston onophoudelijk verder aan zijn onderzoek naar vreedzame revoluties. Sharp hoopt dat nog vele jaren te kunnen blijven doen. Op het feit dat hij 84 is, zegt hij: ‘Dat is wat de kalender beweert, ja. Ik ga door zolang ik kan.’

 

Als Sharp niet werkt, verzorgt hij graag zijn orchideeën. ‘Ze geven me rust en vrede, en het gevoel dat ik iets kleins bereik. Dat ik iets kan doen dat vrediger is dan alle problemen in de wereld.’