Catrien Spijkerman
zaterdag 7 mei 2016 / Trouw / / IS Molenbeek terrorisme

Artikelen / IS-strijders uit Belgiƫ

Moeders van jihad-zonen weten wel beter

De moeder van de Belgische Anis die naar Syrië reisde, steunt andere ouders van jihadstrijders. Ook geeft ze voorlichting over radicalisering. ‘Veel jongeren denken dat ze vrij zijn om terug te keren. Maar wie vertrekt, sterft in Syrië.’

 

Op het plein voor de Sint-Jan Baptistkerk in het Brusselse Molenbeek rolt Geraldine Henneghien (50) haar spandoek uit. Ze maakt zich op voor de demonstratie tegen angst, terreur en haat – een antwoord van de Brusselaars op de aanslagen van een maand geleden. ‘Steun voor families’ staat er in gekleurde letters op Henneghiens laken. Daarboven de naam van de vereniging waarvan zij de officieuze frontvrouw is, Les Parents Concernés. Bedoeld wordt: ouders van kinderen die naar Syrië zijn vertrokken.

 

De vereniging telt zo’n vijftig ouders, van wie een twintigtal geregeld naar de maandelijkse vergaderingen en andere activiteiten komt, vertelt Henneghien. De meesten komen net als zij uit Molenbeek, anderen bijvoorbeeld uit de wijk Schaerbeek, en de stad Charleroi. Vandaag is slechts een handvol leden komen opdagen. “De meeste ouders zijn bang voor de camera’s”, zegt Henneghien met een schuin knikje naar de hordes journalisten. “Ze vrezen ‘ontdekt’ te worden. Ze hebben bijvoorbeeld niet op hun werk verteld dat hun zoon of dochter naar Syrië is vertrokken. Wij worden makkelijk gestigmatiseerd.” Er is nog een andere reden. “Veel ouders hebben nog contact met hun kind, maar ze zijn bang dat te verliezen. ‘Als jij iets tegen IS doet, praat ik niet meer met je’, krijgen ze te horen.” Zelf hoeft Henneghien daarvoor niet bang te zijn, haar zoon leeft niet meer. In januari 2014 vertrok hij naar Syrië, in februari 2015 kregen haar man en zij een sms’je dat hij was gestorven.

 

De ouders hebben rozen en anjers meegebracht om straks op het Beursplein – het eindpunt van de mars – bij de gedenkplaats voor de slachtoffers van de aanslagen te leggen. Op het Molenbeekse plein voor de kerk wordt het ondertussen steeds drukker; er zijn Marokkaanse mannen die A4-tjes dragen met daarop ‘Tegen het terrorisme, tegen de haat’, en kinderen die hartjes stoepkrijten. Het groepje ouders blijft dicht bij elkaar en wacht gelaten. Henneghien, met zalmroze oorbellen en een fladderende sjaal in dezelfde kleur, torent met haar grote gestalte en blonde haren boven de anderen uit. Als de stoet zich eindelijk in beweging zet, is zij de eerste van het groepje die luidkeels de leuzen meeroept. Het zweept de anderen op, de ouders worden onderdeel van de menigte. ‘Daesh, hoepel op, Brussel is niet van jou!’

 

De volgende dag laat Veronique Loute trots een krantje rondgaan in het buurtcentrum La Maison des Femmes in Molenbeek, waar de vereniging wekelijks samenkomt. Op de voorpagina staat een grote foto van de proteststoet, met precies in het midden de spandoeken van Les Parents Concernés. “Heel goed, iedereen kan ons zien”, zegt Loute, een van de oprichters van de organisatie. “Lange tijd werd er niet naar ouders van Syrië-gangers geluisterd”, verduidelijkt Henneghien later. “Pas sinds de aanvallen in Parijs verandert dat. Overheden beginnen in te zien dat ze kunnen leren van onze ervaringen.” De vereniging zit in verschillende expertgroepen en geeft onder andere advies aan de Federatie Wallonië-Brussel over de oprichting van een centrum dat radicalisering moet tegengaan. Ook geven leden van Les Parents Concernés voorlichting op middelbare scholen en bij de politie.

 

Het was goed om bij de protestmars te zijn, vertelt Henneghien in het buurtcentrum. “Er was eenheid. Moslims, niet-moslims, uit Molenbeek of niet, Belgen, Marokkanen, iedereen was gelijk. Want iedereen is slachtoffer, en iedereen kán slachtoffer worden.” Zijzelf en de andere ouders zijn evengoed slachtoffers, vindt Henneghien. “Net als onze kinderen, die slachtoffer zijn van de ronselaars. Ze zijn erin geluisd en wij hadden niks door.”

 

Snelle radicalisering
Henneghiens zoon Anis radicaliseerde in korte tijd, ongeveer vier maanden, denkt ze. Ook van andere ouders hoort ze dat er weinig tijd nodig was om hun kinderen te overtuigen. De ronselaars gebruiken volgens Henneghien een ‘zeer intelligente’ en sluwe methode: “Ze zoeken een jongen met een probleem, ze wrijven het in, en bieden vervolgens de oplossing.”

 

Anis was achttien, net klaar met de middelbare school. “Hij had goede cijfers, hij dacht erover sportfysiotherapeut te worden want hij hield zo van sport: voetbal, basketball, jogging.” Na zijn afstuderen wilde hij eerst een jaartje werken, maar een baantje vond hij niet. “Zijn vader is Marokkaans, dus hij had een Marokkaanse achternaam. Alle sollicitaties liepen op niks uit.” Ze willen geen Marokkaan, ik heb hier geen toekomst, zei hij tegen zijn moeder. “Ik noemde voorbeelden van allochtone mensen die wél een goede job hadden gevonden, ik zei dat heus niet alle mensen zo denken, en dat het allemaal beter zou worden als hij eenmaal een studie had gedaan.” Ze is even stil. “Maar ik besefte niet dat het zo’n diep probleem voor hem was. Dat hij zó gefrustreerd was.”

 

De ronselaars profiteren van die frustratie, meent Henneghien. “Ze wrijven het er alsmaar in: ‘Hier zit niemand op je te wachten. Daar ben je nodig, daar ben je belangrijk. Je gaat het Syrische volk helpen, je staat aan de basis van een nieuwe staat. Je krijgt geld, een appartement, een plek in de maatschappij’.”

 

Twee weken voor vertrek vertelde Anis dat hij naar Syrië ging. Tot dat moment had Henneghien niets doorgehad, zegt ze. “Natuurlijk hebben we geprobeerd hem op andere gedachten te brengen, maar hij wilde niks meer horen. Hij nam zijn bagage en vertrok.”

 

De dagen die volgden, sliep hij bij zijn grootmoeder. “Mijn man en ik zijn naar de politie gegaan. We hebben verteld dat onze zoon op 22 januari naar Syrië ging vertrekken. De agent verzekerde ons het dossier door te sturen naar de radicaliseringsafdeling, die zou onze zoon blokkeren. Hij zou in het systeem worden gemarkeerd zodat hij het land niet uit kon.”

 

Maar op 22 januari reisde Anis gewoon naar Turkije, en van daaruit door naar Syrië. Hij was niet geblokkeerd omdat hij meerderjarig was, bleek later. “Had ik het maar geweten! Ik dacht dat we alles hadden gedaan wat we konden.” De dag ervoor had hij haar nog gebeld. ‘Moeder, kunnen we elkaar ergens ontmoeten?’, had hij gevraagd. Maar Henneghien, die werkt als financial controller bij een bedrijf voor verwarmingssystemen, zat op dat moment in een vergadering. ‘Oh oké, ‘t is niks, allez, tot later’, zei haar zoon. “Misschien wilde hij…”, begint Henneghien, maar ze maakt haar zin niet af. Ze huilt. “Ik dacht: ik zie hem morgen, want dan krijg ik een telefoontje van de politie: Uw zoon staat hier op de luchthaven.” Huilend: “Dan zou ik hem komen ophalen.”

 

Het schuldgevoel is groot bij alle ouders, weet Henneghien. Juist daarom is het zo belangrijk om steun te zoeken bij elkaar, vertelt ze. “Heel belangrijk: wij oordelen niet.” De leden helpen elkaar met praktische zaken als formulieren invullen, maar de vereniging organiseert ook uitjes zodat de ouders af en toe met elkaar de zinnen kunnen verzetten.

 

“Voor de buitenwereld zijn wij ‘terroristenfamilies’. Bij de politie kreeg ik bijvoorbeeld te horen: Luister mevrouw, vergeet niet dat dit allemaal uw eigen schuld is.” De vereniging geeft daarom sinds kort voorlichting aan de politie, bij de overheid lobbyt ze voor professionele steun voor de ouders. “Er is veel moed voor nodig om naar de politie te stappen – de ouders moeten op z’n minst met een beetje empathie worden ontvangen.”

 

Sterke vrouwen
In het buurtcentrum hebben twee vrijwilligers muntthee gemaakt, op het tafeltje tussen de gekleurde sofa’s staan schaaltjes met baklava en chips. Tijdens de vergadering met drie andere ouders eet Henneghien snel een broodje bij wijze van avondeten. Ondertussen zoemt haar telefoon bijna onophoudelijk. “Geraldine doet heel veel bij de vereniging, alles eigenlijk”, zegt een van de vrijwilligers van de vereniging wanneer Henneghien even weg is. “Ik vraag me af hoe ze het volhoudt.”

 

Ook Olivier van Bets bewondert Henneghien en de andere vrouwen. “Zij zijn zoveel sterker en dapperder dan ik. Ik trek me aan hen op.” Van Bets’ zoon vertrok in 2012 samen met die van Veronique Loute naar Syrië. Toen zijn zoon overleed, ging Van Bets op zoek naar de ouders van die andere jongen. Zo ontmoette hij Loute, die in 2013 het initiatief nam om de vereniging op te zetten. Van Bets is de enige vader hier. “Ik denk dat bij mannen de schaamte nóg groter is, de vader wordt immers gezien als de beschermer van de familie. Bovendien praten ze moeilijker over hun gevoelens”, zegt hij.

 

Ook Henneghiens man doet niet mee aan de activiteiten van de vereniging. “Het doet hem te veel verdriet”, vertelt ze. “Hij praat alleen met een imam, ik hoop dat die hem steun kan bieden.” Net als haar man is Henneghien moslim, ze bekeerde zich 25 jaar geleden tot de islam. Op de vraag of ze daarvan ooit spijt heeft gehad, antwoordt ze resoluut: “Nooit. Met de islam heeft dit absoluut niks te maken. Religie betekent liefde, vrede en respect. Mijn zoon is terechtgekomen in een sekte.”

 

Ze bleef contact met hem houden toen hij in Syrië zat, via Viber. Twee keer vertelde hij dat hij terug wilde. “De eerste keer was een van zijn vrienden omgekomen. ‘Mama, ik ben triest. Ik zit hier, en ik kan niet weg’, zei hij toen. De tweede keer, maanden later, vroeg hij me of ik een ticket voor hem wilde boeken. ‘Maar niet naar België, want dan moet ik in de gevangenis’, zei hij. ‘Ik koop een ticket naar waar je maar wil’, antwoordde ik. Twee uur later belde hij terug: ‘Vergeet wat ik heb gezegd, ik blijf bij mijn broeders’.” Voor Henneghien is het een teken dat haar zoon werd afgeluisterd en onder druk is gezet. Tijdens voorlichting op scholen is het een van de belangrijkste boodschappen die ze wil overbrengen. “Veel jongeren denken dat het een heen- en terugreis is, ze denken dat ze vrij zijn om terug te keren wanneer ze willen. Maar wij weten beter. Wie vertrekt, sterft in Syrië.”

 

Topleverancier jihadstrijders
Tussen de 420 en 516 Belgische jihadstrijders vertrokken sinds 2011 naar Syrië en Irak, schreef het internationale centrum voor contra-terrorisme (ICCT) in Den Haag ruim een maand geleden in een rapport. België is daarmee, afgezet tegen het bevolkingsaantal, de grootste leverancier van deze Syriëreizigers in Europa. Tussen de 60 en 70 van hen zijn overleden, tussen de 55 en 130 keerden terug naar België, de overige 180 tot 260 (nog) niet. Nederland telt volgens de AIVD 240 jihadstrijders (in maart van dit jaar), van wie 42 stierven, 40 terugkwamen en 160 nog in Syrië zitten.