Roos Menkhorst
woensdag 6 november 2013 / De Groene Amsterdammer /

Artikelen / Op zoek naar de nieuwe inburgeraars

'Weet u hoe laat het is?'

“Ik ben een doorzetter, weet iemand wat dat is?” In de roc-inburgeringsklas van nt2-docent Natalia Odelevskaia bespreken veertien cursisten wat belangrijk is als je gaat solliciteren.

 

Odelevskaia staat voor de groep. Een van de cursisten zegt dat het betekent dat je niet zomaar ophoudt. Precies! roept Odelevskaia. “Ik bel tien bedrijven per dag. En ik ga niet huilen bij mijn man als het niet lukt. Ik ben namelijk een doorzetter,” zegt ze op stoere toon.

 

Odelevskaia loopt verder langs de tafels. “Welk werk past bij jou?”, vraagt ze aan een wat oudere man met een petje op. “Afwassen. Ik werk al vier jaar als afwasser in een restaurant.” “Goed antwoord, je hebt dus veel ervaring,” zegt de docente. Aan een meisje vraagt ze: “En jij? Welk beroep past bij jou en waarom?” Het meisje wil loodgieter worden, antwoordt ze. In Marokko haalde ze een apothekersdiploma, maar dat is hier niks waard. Waarom dan nu opeens loodgieter, vraagt Odelevskaia. “Dat is handig, dan kan ik thuis alles zelf repareren”, zegt ze met een grijns. De andere cursisten gieren het uit van het lachen.


De inburgeringscursus aan het roc in Amsterdam is een van de laatste trajecten die nog loopt. Daarna stopt de onderwijsinstelling ooit de enige aanbieder van inburgeringscursussen helemaal met inburgering.

 

Sinds januari van dit jaar zijn nieuwkomers mensen van buiten de EU en niet afkomstig uit Turkije verplicht hun eigen inburgering te regelen en te betalen. Voorheen deed de gemeente dit. Zodra een nieuwkomer inburgeringsplichtig wordt, moet de Immigratie- en Naturalisatiedienst (ind) dit nu melden aan duo, Dienst Uitvoering Onderwijs. duo stuurt een brief aan de inburgeraar met de mededeling dat die binnen drie jaar moet inburgeren. En dat het mogelijk is om bij duo een lening af te sluiten om de inburgeringscursus te bekostigen: de cursus en het examen kosten gemiddeld tussen de drieduizend en vijfduizend euro.

 

Ruim tien maanden na de invoering van de wet hebben 923 mensen zich gemeld bij duo om een lening af te sluiten voor hun inburgering. Dit op een totaal van 7803 nieuwe inburgeraars (tot 1 oktober 2013). Hoe de andere bijna zevenduizend inburgeraars hun inburgering regelen is onbekend bij de Nederlandse overheid. Uit een brief van Vluchtelingenwerk (september 2013) aan de woordvoerders van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid blijkt dat de nieuwkomers maanden na aanvang van de inburgeringsplicht niet bij duo bekend zijn. Dit constateren zij uit hun eigen praktijk: vrijwilligers van Vluchtelingenwerk proberen nu de nieuwe inburgeraars te helpen met het vinden van een cursus.

 

Gemeenten hebben geen idee wat de nieuwe inburgeringsplichtigen op dit moment doen, wie het zijn, of ze inburgeren en of ze dat bij een gecertificeerde organisatie doen. En commerciële taalaanbieders sinds 2006 is de inburgeringsmarkt vrijgegeven hebben dit jaar nauwelijks toestroom van nieuwe inburgeraars. Dit terwijl in 2012 nog 10.225 van de 12.947 nieuwe inburgeringsplichtigen met een door de gemeente gefinancierd inburgeringstraject zijn begonnen, en in 2011 11.588 van de 13.931, zo blijkt uit cijfers van het ministerie.

 

Minister Lodewijk Asscher, die integratie in zijn portefeuille heeft, zei in een interview met de Volkskrant eerder dit jaar: “Er is ongelooflijk veel debat over integratie geweest, we zijn nu toe aan een nieuwe fase. We moeten ophouden met uitleggen waarom het allemaal niet lukt. We moeten de norm stellen.” De houding van de minister zie je terug op de site ikwilinburgeren.nl: hier moeten inburgeraars naartoe om te weten wat er van hen verwacht wordt. In het filmpje Inburgeren in Nederland hoor je een voice-over zeggen: “Weet u nog niet genoeg over het leven in Nederland? Dan kunt u een inburgeringscursus doen. Die moet u zelf zoeken. De cursus en het examen kosten geld, dit moet u zelf betalen. Bij duo kunt u geld lenen. Maar u moet dan wel een cursus doen met hetBlik op werk-keurmerk.”

 

Harro Hoogerwerf, nu nog manager educatie inburgering bij de gemeente Amsterdam, zit met de situatie in zijn maag: “Het is niet onwaarschijnlijk dat wij over drie jaar met een groep mensen zitten – jaarlijks krijgt Amsterdam gemiddeld 1500 nieuwe inburgeraars -die niks aan inburgering heeft gedaan. De praktijk uit het verleden heeft geleerd dat dit nadelig is voor de integratie, voor de sociaal-economische positie van mensen, voor de scholing van de kinderen, voor de uitkeringsconsumptie en ga zo maar door.” De overheid is doorgeslagen met deze bezuiniging, vindt hij. Er was jaarlijks driehonderd miljoen euro beschikbaar voor inburgering, vanaf 2014 is er niks meer. “In zes jaar tijd hebben we, met vallen en opstaan, een redelijke inburgeringsmachinerie op kunnen zetten. Maar onder het mom van: ze moeten het nu zelf doen, dus er zijn geen kosten meer, is het weggespoeld als probleem.” Hij haalt zijn schouders op: “We moeten constateren dat er geen politiek draagvlak is geweest om dit te corrigeren. Toch zul je niemand tegenkomen die zegt dat inburgering niet belangrijk is, dat is het bizarre.”

 

Met de komst van de gastarbeiders naar Nederland in de jaren zestig groeide het besef dat er cursussen Nederlands moesten komen. In het begin waren het vooral vrijwilligers die dit oppikten. Maar gaandeweg ontstond er vraag naar uitgewerkte lesmethodes. Het werk professionaliseerde zich: er kwamen gekwalificeerde nt2-docenten en dagelijkse door de overheid georganiseerde cursussen. Waren het in het begin nog gastarbeiders die de lessen bevolkten, later werden het buitenlanders genoemd, en nog later allochtonen. Het overheersende idee was dat integratie automatisch zou volgen na het leren van de taal.

 

In de jaren negentig werd duidelijk dat dit geen houdbare gedachte was: veel migranten en vluchtelingen leerden nauwelijks Nederlands. Hun opleidingsniveau bleek ver achter te blijven bij het gemiddelde niveau in Nederland. De gedachte dat migranten en vluchtelingen de taal niet wilden leren groeide. Het integratieprobleem verschoof van een taalprobleem naar het idee dat er groepen in Nederland waren die weigerden zich in onze cultuur te verdiepen en eraan deel te nemen. Oud-vvd-fractievoorzitter Frits Bolkestein zwengelde de discussie aan en pvdaer Paul Scheffer schreef zijn bekende essay ‘Het multiculturele drama’.

 

De discussie werd heftiger. Dat uitte zich ook in het beleid: oud-minister van Integratie Rita Verdonk introduceerde de Wet Inburgering. Sinds 1 januari 2007 werd inburgeren verplicht. In de inburgeringscursussen zou iedere nieuwkomer en oudkomer (mensen zonder Nederlands paspoort die voor 1 januari 2007 al in Nederland verbleven) moeten leren hoe het er in Nederland aan toe gaat en wat wij normaal vinden. Vandaar ook de inmiddels beruchte vragen als: Wat doe je als de buurvrouw een baby heeft gekregen? Hang je de vlag uit, geef je geld of een cadeau?

 

De Wet Inburgering werd bijna unaniem – een persoon stemde tegen – aangenomen in de Tweede Kamer. Daarvoor schreven achttien hoogleraren een open brief aan de Eerste Kamer. Kern van de boodschap: de nieuwe wet zou averechts werken en integratie belemmeren. Voorheen gold er een inspanningsverplichting, met de wet van Verdonk kwam er een resultaatsverplichting. Wie de toets niet haalde zou een boete kunnen krijgen, of erger: de verblijfsvergunning zou worden ingetrokken. Volgens de hoogleraren zouden deze sancties uitsluiting bevorderen.

 

De huidige situatie is een herhaling van wat eerder als falend beleid werd gezien. In de wet van Verdonk werd namelijk opgenomen dat mensen net als nu verantwoordelijk zouden zijn voor hun eigen inburgering. Halverwege 2007 werd echter duidelijk dat dit niet werkte: er waren nauwelijks mensen die zich inschreven voor een cursus. Verdonk was al weg toen de nieuwe minister Ella Vogelaar (pvda) het terugdraaide: de gemeenten werden weer verantwoordelijk. Met effect: landelijk waren er in 2010 zestigduizend inburgeraars die met lessen startten en in Amsterdam slaagden in zes jaar tijd twaalfduizend mensen voor hun inburgeringsexamen. Nog steeds zit de gemeente Amsterdam met een groep van tienduizend mensen die nog voor hun examen moeten slagen. Zij krijgen hun traject nog wel vergoed. Piet Hein Donner, minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet-Rutte I (vvd, cda en met gedoogsteun van de pvv), zette in 2011 ondanks de lobby van de gemeenten de situatie weer op scherp. Dit kabinet geloofde, net als Verdonk, heilig in versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige. De Raad van State, waar Donner een paar maanden later voorzitter van werd, uitte kritiek: Waar is het maatschappelijk belang? vroegen zij zich af. Deze kritiek kreeg geen gehoor. Minister Gerd Leers nam het van Donner over: hij voerde de wijziging door. Onder druk van de oppositie werd nog wel een verandering doorgevoerd: vluchtelingen kunnen het bedrag dat ze geleend hebben kwijtgescholden krijgen. Mits ze slagen, dat dan wel. Voor de overige migranten geldt dit niet.

 

“Ik heb hoofdpijn”, zegt de Marokkaanse cursiste Fatima tegen haar inburgeringsdocente Natalia Odelevskaia. Ze wijst naar haar hoofddoek. Odelevskaia: “Je vraagt vaker in de pauze of je naar huis mag. Waarom is dat? Vind je de les te moeilijk?” Fatima knikt. Ze wil naar een lager niveau. “Dat wordt heel lastig”, zegt Odelevskaia. “Daarnaast moet je inburgeringsexamen doen om een Nederlands paspoort te krijgen, dat weet je toch?” Fatima knikt opnieuw. Maar ze vindt Nederlands leren moeilijk. De docente knikt begripvol, ze kan Fatima alleen niet naar een klas met een makkelijker niveau sturen.


In principe zou Fatima over een paar maanden examen moeten doen. Dat wordt heel moeilijk, denkt Odelevskaia: analfabete vrouwen als Fatima kunnen het examen bijna nooit halen. Het is al heel wat als ze over een tijd een gesprek kan voeren en de verpakkingen op de producten in de supermarkt kan lezen. Odelevskaia stelt dat als Fatima dit jaar naar Nederland was gekomen ze waarschijnlijk helemaal geen cursus had kunnen volgen.

 

Het nut van de Nederlandse inburgeringscursus is de afgelopen jaren vaak in twijfel getrokken. Dit kwam ook naar voren in het rapport van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie over Nederland dat onlangs uitkwam. De inburgeringseisen bijvoorbeeld om binnen drie jaar in te burgeren en het niveau zouden te hoog zijn, en de sancties zoals het verlies van je verblijfsvergunning als je niet inburgert te zwaar. De Commissie concludeert daarnaast dat de kosten voor verblijfsvergunningen en voor gezinshereniging voor alle migranten aanzienlijk moeten worden verlaagd.

 

Minister Lodewijk Asscher heeft zich tot nu toe niets aangetrokken van de kritiek op de inburgering in Nederland. In september liet hij in een brief weten dat uit onderzoek blijkt dat inburgeren maatschappelijk nut heeft. Hij sluit af: “Daarom is het van groot belang dat migranten zich bewust zijn wat Nederland als ontvangende samenleving verwacht en biedt, en dat zij snel beginnen met het opdoen van de kennis die nodig is om volwaardig mee te doen in de Nederlandse samenleving.”


Op een doordeweekse dag zitten acht vrouwen in een kleine ruimte in de Amsterdamse wijk Slotervaart. Van negen tot twaalf hebben ze Nederlandse les bij de Buurtschool. Het is pas hun tweede les. Ze oefenen simpele zinnen als: Ik ben Khadija en ik woon in Amsterdam; Hoe gaat het?; Weet u hoe laat het is? Er wordt gegiecheld. Achterin krijgt een van de vrouwen priv-les. Ze komt uit Turkije en is pas sinds twee weken in Nederland. Ze begrijpt nog geen woord Nederlands, legt initiatiefnemer Jacqueline Damen uit.

Samen met twee oud-collegas van het roc startte zij dit jaar de Buurtschool. Damen begon in de jaren tachtig met het geven van Nederlandse les, als vrijwilliger. Nu is ze in feite weer vrijwilliger, lacht ze. Binnen het roc worden de inburgeringstrajecten afgebouwd. Damen en haar collegas werden binnen het roc herplaatst. Damen kwam terecht op een mbo, maar ze miste haar eigen vak.


Bij de Buurtschool kunnen mensen voor 2,50 euro een ochtend Nederlandse les volgen. Na afloop krijgen alle vrouwen een kruisje op hun strippenkaart. De groep is gemengd: er zitten vrouwen bij die al jaren in Nederland zijn, maar er zijn ook vrouwen die inburgeringsplichtig zijn en binnen drie jaar examen moeten doen. Ze vinden een inburgeringscursus aan een officiële instelling te duur. Het afsluiten van een lening bij duo zien ze als te riskant, zeker zonder de zekerheid van een vaste baan.

 

Damen wil met haar school de laagopgeleide groep mensen de kans geven om de taal te leren. Die groep heeft het nu extra zwaar. Ze ziet dat commercile taalbureaus niet staan te springen om mensen aan te nemen die maar moeizaam de taal leren. Er zijn mensen van wie je van tevoren kunt voorspellen dat ze het examen niet gaan halen, zegt ze. Commerciële instellingen nemen die problematische groep liever niet aan. En ze hebben gelijk: want als de mensen het niet halen, krijgen zij niet betaald.

 

Met veel liefde geeft Damen nu een paar keer in de week vrijwillig les op de Buurtschool. Maar financieel is het een ramp. Op dit moment betalen we alles zelf, inclusief de huur van de ruimte van vijfhonderd euro. Als we niet quitte kunnen draaien binnen een jaar zullen we weer moeten stoppen, vrees ik.

 

Een rondgang langs een aantal taalaanbieders leert dat de traditionele inburgeringscursus bijna alleen nog wordt gegeven aan mensen uit het oude regime. Jeroen Prins, directeur van NL Training in Amsterdam, een commerciële instelling met het keurmerk Blik op werk, vertelt dat er jaren waren dat er bij zijn organisatie tussen de tweeduizend en drieduizend mensen met een inburgeringscursus startten. Maar van de groep die dit jaar inburgeringsplichtig is geworden heeft hij maar een handvol aanmeldingen. Dat zijn vooral expats, en vrouwen die een man hebben met een goede baan, zegt hij. Die groep interesseert het niet dat ze moeten betalen. Het probleem ligt bij de groep die het economisch toch al moeilijk heeft. Voor die groep is het lenen van een bedrag tussen de drieduizend en vijfduizend euro enorm. Zij beginnen er niet eens aan.

 

Cathelijne Janssen, cordinator inburgeringsexamen bij het sipi (Stichting voor Interculturele Partcipatie en Integratie), ook een taalaanbieder, vertelt dat ze geen nieuwe inburgeraars hebben. “Ik heb dit jaar maar een paar nieuwe inburgeraars gezien bij een intakegesprek. Ze zijn op een hand te tellen. Als ik uitleg dat je een lening moet afsluiten, schrikt dat meteen af. Zij zullen vermoed ik op zoek gaan naar plekken waar het goedkoper kan.”

 

Op een regenachtige dinsdagmiddag zitten twee Srilankese vrouwen achter een oefen-pc in de Openbare Bibliotheek in Amsterdam-Oost. Ze komen iedere week. De bibliotheek heeft drie pc’s waar verschillende programma’s op zitten die voorbereiden op het inburgeringsexamen. Malar Thavaratnam, een van de vrouwen, is al twaalf jaar in Nederland. Ze heeft het inburgeringsexamen gedaan, maar is tot twee keer toe gezakt. Thavaratnam gaat een keer in de week naar Nederlandse les. Ze zou eigenlijk vaker willen, maar vaker in de week een kaartje voor de tram kopen is te duur, legt ze uit. Verder oefent ze thuis op haar eigen computer, en is ze een keer in de week in de bibliotheek te vinden.

 

Mensen als Malar Thavaratnam ziet bibliothecaris Nora Nagy dagelijks in de bibliotheek. Iedere dinsdag is het oefenspreekuur, en dan hebben zij en haar collega Zahira een paar uur tijd om de inburgeraars te helpen. De mensen die dit jaar inburgeringsplichtig zijn geworden ziet ze eigenlijk niet. Soms komen er wel inburgeringsplichtigen langs die denken dat de bibliotheek cursussen Nederlands organiseert, maar dat is niet het geval, zegt Nagy. “We zijn niet opgeleid voor het geven van cursussen Nederlands. We hebben wel een cursus gehad om te leren hoe de computerprogramma’s werken.”

 

De Openbare Bibliotheek in Amsterdam heeft op twaalf locaties oefenspreekuren georganiseerd. Via de website leefenleer.nl en een samenwerking met at5 proberen zij met andere partners mensen te wijzen op de mogelijkheden die er zijn om zelfstandig Nederlands te leren: mensen kunnen een taalmaatje zoeken, ze kunnen naar een leesclub voor volwassenen gaan of ze kunnen oefenen met de taalprogramma’s op de computer. Maar of het genoeg is? Het is in ieder geval iets en mensen zijn al blij dat ze hier kunnen leren, zegt Nagy. Maar als je nog helemaal geen Nederlands spreekt, heb je alleen wel echt een goede basiscursus nodig, weet de Hongaarse uit eigen ervaring.

 

De kosten voor een inburgeringscursus
Een gemiddeld inburgeringstraject inclusief examen kost de gemeente Amsterdam vierduizend euro. Sinds dit jaar koopt de gemeente nauwelijks nieuwe pakketten meer in bij de verschillende taalaanbieders. Die merken dit in de toestroom van nieuwe cursisten: die is er nauwelijks. Op verschillende sites kun je zien dat er inmiddels wordt gestunt met prijzen. Zo kun je bij NL Training voor 1300 euro een inburgeringscursus volgen: twintig weken, n keer in de week les. En examentraining voor het inburgeringsexamen kost 306 euro: acht weken, een keer in de week les. De kosten van het examen zijn 250 euro.